Allergiese reaktie;
jeukt altijd, ingrijpen als het paard benauwd wordt.
Behandeling

Lichaamstemp: 37,5-38,2 graden C
CRT: (Capilair Refill Time) ca. 2 sec.
Hartslag: 28-40 keer per minuut. (ca. 1 keer per 2 sec.)
Ademhaling: 8 tot 14 keer per minuut, verbruik ca 60 tot 80 liter lucht.
Bij de behandeling van een paard nooit op de knieen erbij zitten maar op de hurken, zodat je altijd snel weg kunt springen. Een paard kan ook naar voren en naar opzij slaan; gebruik een strobaal, om klappen op te vangen. Een paard dat vastzit blinderen en de oren dichtproppen met watten. Achter z'n hoofd zitten: een knie op de hals en een hand op het hoofd. Let bij het toedienen van medicijnen altijd op de werking van kombinaties van preparaten.

Bolspat
OCD, teveel vocht in de sprong (meest bewegende gewricht), teveel eiwit.


Botbreuken
Als je het been voorzichtig beweegt voel je het kraken en het beweegt in de verkeerde richting. In eerste instantie het paard gewoon laten staan en de fraktuur inpakken en spalken. De spalken eruit laten steken zodat het paard erop kan steunen. Fraktuur stabiliseren (fixeren). Het paard staat op drie benen. Minimaal zes weken rust om te genezen


Droes
Cause
Signs
Epidemiology
Immunity
Treatment
Control

Cause
Strangles is the most important infectious disease affecting horses. It is caused by a bacterium, Streptococcus equi.

Signs
Swollen lymph glands that may burst. Pus discharge from nostrils. Typically, horses suffering from strangles have pus discharging from the nostrils and swellings (abscesses) forming in the lymph glands under the jaw. These abscesses often burst and exude a thick yellow pus. Affected horses can have fever, be depressed and may stop eating. Most animals recover, but horses that contract even a mild case of strangles must be isolated and removed from training or heavy work for up to 3 months. In some cases the infection can cause chronic illness or even death.

Epidemiology
Strangles is very contagious, especially with foals, spreading easily from horse to horse and often leading to large outbreaks with many horses affected. It is spread in the discharges (pus) from the nose and burst abscesses. Objects such as water troughs, feed buckets, brushes, reins and other equipment, if contaminated with infected pus, can also spread the disease. Recovered horses can spread the disease for up to eight months, even though they can appear clinically healthy and normal.

Immunity
In common with other respiratory diseases, such as canine cough and feline respiratory disease, immunity is short lived and incomplete. In fact 25% of horses infected with strangles do not appear to develop immunity. This makes it very difficult for a vaccine to provide complete protection and it is not claimed that the vaccine is an absolute preventative. However, field experience has shown that vaccination can control the disease by reducing the degree of clinical disease and reducing the number of horses affected.

Treatment
Penicillin is the antibiotic of choice against S.equi. Abscesses may need to be opened and drained and good supportive care is vital for recovery.

Control
It is strongly recommended that all horses be included in a regular program of vaccination. It is particularly important that booster doses be given prior to periods of greater risk of infection, such as the breeding or performance season. Pregnant mares may be vaccinated up to two weeks before foaling. Consideration should be given to vaccinating high risk horses (eg. brood mares, stallions, performance, pony club, racing and eventing horses) every six months. In the event of an outbreak of strangles, horses should be segregated into three groups and handled as follows: (a) Those affected by the disease should be treated, but not vaccinated (b) Horses with no known contact with the disease should be vaccinated immediately (c) Horses known to have been in contact should be observed for seven to ten days and vaccinated only if they have a normal temperature and show no clinical signs of the disease.



Spat
De harde verdikking (verbening) komt voor aan de binnenkant van de onderzijde van het spronggewricht; het ontstaat door woekering van de gewrichtsbeentjes, de botverandering kan minimaal zijn; geeft vaak kreupelheid vooral na rust; soms wordt een paard 'spatwarm' gehouden b.v. op een paardenmarkt, ter controle wordt het been van het paard 1 minuut opgetild, loopt het paard daarna kreupel weg dan duidt dat op spat (buigproef); pijn verdwijnt vaak als de botjes helemaal vergroeid zijn; met geringe spat kunnen paarden veelal wel funktioneren.


Kreupelheid
Onregelmatige beweging door pijn of mechanische belemmering. Onregelmatige gang houdt niet altijd in dat een paard kreupel is. Een paard dat pijn heeft zal terugvallen in konditie en humeurig worden. Let op hoofd of kruis: het paard 'valt' op het gezonde been. Voor: Als het paard valt op het ene been is het andere been het kreupele been: Links het hoofd omlaag is rechts kreupel Achter: zere been wordt omhoog gehouden. Belastingskreupel Doet zeer onder in het been bij het neerzetten (onder de handwortelbeentjes) Goed zichtbaar op harde bodem op een kleine wending als het kreupele been het binnenbeen is: zwaarder belast. Paslengte naar achteren verkort. Koelen. Bewegingskreupel Doet zeer boven in het been. Het best waar te nemen op een grote volte aan het buitenbeen: grotere beweging. Paslengte naar voren verkort. Koelen heeft weinig zin, moeilijk te genezen. Acuut Hoeflederhuidontsteking, zoolkneuzing, peesklap, fracturen, wonden, knieschijf op slot. Chronisch Hoefkatrolontsteking, verbening hoefkraakbeenderen, sesambeentjeskreupelheid, overhoef (hoog en laag), spat, slijtage van de weke delen van de onderhoef.


Mok
De huid in de kootolte wordt rood en er treden zwelling, schilfering en korstvorming op. Oorzaken: vervuiling door mest en urine, hard borstelen om de kootholte schoon te maken, veelvuldig gebruik van water, te kort geknipte of te lang haren in de kootholte. Als er infektie optreedt kan een ernstige ontsteking of zelfs bloedvergiftiging ontstaan.
Behandeling:
Wanneer je op internet naar een therapie voor mok zoekt kom je tientallen middeltjes tegen, variërend van van homeopathische tabletjes tot zwavel, knoflook of allerlei kruiden, van wassen met biotex tot zware antibioticumzalven, van iedere dag schoonmaken, korsten verwijderen tot vooral overal van afblijven. Dit geeft wel aan hoe lastig een behandeling kan zijn. Wat het beste helpt is moeilijk te zeggen: dat verschilt van paard tot paard. Het is in ieder geval belangrijk een oorzaak voor de mok vast te stellen. De behandeling moet immers daarop zijn gericht. De dierenarts kan een huidafkrabsel maken om bijvoorbeeld mijten of schimmels op te sporen.
Scheren van de kootholte.
Als er sprake is van mok dan is het in ieder geval zaak de benen van de patiënt droog en schoon te maken en zonodig de kootholte uit te scheren. Dat laatste kan wel eens weerstand oproepen bij eigenaren van bijvoorbeeld Friezen en Tinkers.
Wassen.
Wassen met betadine-shampoo is nodig om de los zittende korsten te verwijderen. De korsten moeten zonodig 24 uur in de zalf gezet worden (eventueel onder verband) om te verweken. De korsten verhinderen namelijk dat het medicament op de plaats van de bestemming komt. Na het wassen goed drogen met een handdoek en eventueel nadrogen met een föhn. Ook talkpoeder kan hierbij een goede dienst bewijzen.
Zalven
Het gebruik van een mokzalf kan - afhankelijk van de samenstelling - goed zijn, maar daarbij is hygiënisch werken belangrijk. Dat betekent met schone handen schone, of liever nog wegwerp handschoenen, zalf op het probleemgebied aanbrengen. Het is ook belangrijk goed in de gaten te houden dat er geen viezigheid in de zalfpot gaat zitten. Bij ernstige gevallen worden de beste resultaten verkregen middels een behandeling onder een goed zittend verband met zalven die corticosteroïden bevatten tegen de ontsteking en antibiotica tegen de bacteriële infecties. Daarnaast is het zeer belangrijk dat de zalfbasis zodanig van samenstelling is dat de huid optimaal in conditie wordt gebracht. Ook droogzetpenicillines (zogenaamde 'droogzetters') van de koe worden nogal eens toegepast bij mok. Deze zijn uitsluitend bij de dierenarts verkrijgbaar. Sommigen menen ook goede ervaringen te hebben met insmeren met tandpasta...


Rhinopneumonie
Het begrip "rhinopneumonie" wordt gebruikt bij drie verschillende ziektebeelden, te weten luchtwegproblemen, verlammingsverschijnselen en abortus (verwerpen). De oorzaak voor deze verschijnselen zijn twee verschillende virussen (geen bacteriën. Namelijk het EHV1- en EHV4 (EHV staat voor Equine Herpes Virus) virus.

Luchtweginfecties
De meeste luchtwegproblemen (ontstekingen) als gevolg van een rhinopneumonie infectie (=contact met virus) worden meestal veroorzaakt door EHV4. Echter EHV1 kan dus ook voor een luchtwegontsteking zorgen. De verschijnselen van zo'n infectie bij oudere veulens en jaarlingen kunnen gepaard gaan met koorts, "snot"neus, vermagering, roodheid van het neusslijmvlies, en een eventuele zwelling van de keelklieren. Doordat het virus het slijmvlies van de luchtwegen aantast, zou een bacteri? ontsteking kunnen aanslaan ("snot" wordt klonterig en troebel). Indien een dier, vaak een ouder veulen of jaarling, voor de eerste maal een infectie doorloopt (eerste contact met virus), kan het de bovenstaande luchtwegontsteking vertonen. In de meeste gevallen verloopt een volgende EHV-infectie en soms zelfs de eerste infectie, welke een paard meemaakt, geruisloos. Wat belangrijk is, is dat het virus zich ongeveer 12 dagen verspreidt en dus zeer gemakkelijk andere dieren infecteren. Indien een ouder dier al meerdere malen in contact is gekomen met het virus zal het virus door dit dier verspreidt worden. Zodat andere dieren ook ge?ecteerd kunnen worden (jong en oud).

Verlammings vorm
Deze treedt op bij dieren van alle leeftijden, maar wordt vooral bij volwassen merries beschreven. Naast sufheid, koorts, dikke benen, waterig snot treedt later een verslapping van de achterhand op. Ook een gevoelloosheid rond de staart en urine incontinentie kunnen een gevolg van de infectie zijn. De prognose van dieren die uiteindelijk weer in de benen komen is vrij goed. De mate van herstel is onvoorspelbaar.

Abortus vorm
Aangezien dit een groot probleem is zal hier verder op ingegaan worden. Van alle abortussen veroorzaakt door een infectie (virus, bacterie, schimmel etc.) wordt in 40% van de gevallen EHV1 aangetoond. Vijfennegentig procent van de abortusgevallen  veroorzaakt door EHV1 treedt op in de laatste vier maanden van de dracht. Meestal betreft het slechts ? of enkele merries per bedrijf. Soms verwerpt  meer dan 50% van de merries. Indien een paard verwerpt (aborteert) ten gevolge van een EHV infectie, kan dit dier vari?nd van enkele maanden tot 2 weken voor het verwerpen, het werkelijke contact (infectie) met EHV gehad hebben.  Dit contact kan toentertijd zonder echt ziekteverschijnsel geweest zijn. Wanneer een merrie tegen het einde van de dracht ge?ecteerd wordt, kan het veulen nog levend worden geboren. Deze veulens hebben echter al ernstige schade opgelopen aan de longen en aan de lever en andere organen en bezwijken gewoonlijk in de eerste uren tot dagen van hun leven ten gevolge van  bijkomende bacteri? infecties. De abortus vindt vaak explosief plaats zonder "aankondiging". Meestal komen direct de vruchtvliezen mee. Over het algemeen is de vrucht fris.

Was EHV de oorzaak voor de abortus?
Hierbij is de geaborteerde vrucht het belangrijkste onderzoeksmateriaal. Bij de meeste vruchten wordt geen typisch sectiebeeld gevonden, daarom is laboratoriumonderzoek het belangrijkste onderzoek. (Gezondheidsdienst voor Dieren  kosten circa 150l Euro) .

Gevolgen voor vruchtbaarheid van de merrie?
In het algemeen leidt een EHV1 abortus niet tot een baarmoeder ontsteking en/of verminderde vruchtbaarheid. Wanneer geen complicaties ontstaan kan de merrie na enkele weken weer worden gedekt of ge?emineerd.

Mijn paard heeft een EHV-infectie gehad, is het dier nu beschermd tegen de volgende EHV infectie?
Vier weken nadat een dier in contact is gekomen met EHV zijn er voldoende afweerstoffen tegen EHV gevormd  en zijn de dieren dus beschermt. ECHTER enkele maanden later zijn er te weinig afweerstoffen aanwezig om een volgend EHV contact te pareren. Zodat de dieren weer gevoelig zijn voor een infectie. De ernst van de ziekteverschijnselen zal afnemen naarmate het aantal contacten cq. infecties met het EHV-virus. Maar bij elke infecties zal het dier zelf weer meer EHV-virus verspreiden (via de luchtwegen) zodat andere dieren ook ge?ecteerd kunnen worden. Er zijn zelfs aanwijzingen dat het virus al die tijd in een dier opgesloten kan zitten en dat door "omstandigheden" het virus weer actief kan worden zodat het dier een soort infectie van zichzelf krijgt. Onder deze "omstandigheden" worden stresssituaties verstaan (transport, operaties, andere ziekte, voerveranderingen, veranderingen in samenstelling van de groep etc.) .

Is mijn paard een uitzondering dat het dier EHV in zich heeft?
Het blijkt dat 100% van alle manegepaarden ooit in contact in gekomen met EHV. Zelfs bij een groep die relatief weinig contacten had (een groep pony fok merries) bleek 54% van de dieren in contact te zijn geweest met EHV.

Bestrijding en voorkomen.
Managementmaatregelen ter voorkoming van de verschillende beschreven vormen van rhinopneumonie zijn erop gericht de introductie en verspreiding  van virus op een bedrijf te beperken. Het virus kan op een bedrijf ge?roduceerd  worden door dieren van "buitenaf" en door dieren die het virus "in zich verstopt hebben" en die door bepaalde omstandigheden weer verspreider worden. Met deze omstandigheden worden met stress gepaarde voorvallen bedoeld (bv. castraties, vaccinaties, spenen, transport, voeding, wormen, etc.) Het is belangrijk te weten dat jonge dieren die een infectie met het EHV virus doorlopen, er zelf weinig last van hoeven te hebben (meestal wat snotteren) maar dat deze jonge dieren geweldig veel virus verspreiden waardoor de oudere eventueel drachtige dieren opnieuw ge?ecteerd worden, met alle mogelijke gevolgen van dien (bv. abortus)

Preventieve maatregelen:
Drachtige merries mogen geen contact hebben met jaarlingen en andere dieren.
Splits de merries met veulen in kleine speengroepen. Verwijder uit een dergelijke groep om de paar dagen een merrie en stal deze merries zo ver mogelijk van de gespeende veulens. hierdoor wordt de stress tot een minimum gereduceerd en blijven de risico's voor de drachtige merries beperkt.
Nieuwe paarden die weg zijn geweest, moeten drie weken ge?leerd worden gehouden van de andere paarden op het bedrijf.
Vermijd stress door bv. transport over lange afstanden bij drachtige merries. Hierdoor kan het "erstopte" virus weer geactiveerd worden.
Meng geen merries die voor het eerst drachtig zijn met oudere merries.

Maatregelen in geval van uitbraak:
De geaborteerde vrucht moet onmiddellijk in een lekvrije verpakking verwijderd worden en voor verdere diagnostiek onderzocht worden.
Waarschuw uw dierenarts
Isoleer zo mogelijk de-mogelijk-geinfecteerde dieren ruimtelijk van de rest. Laat pas drie weken na het laatste klinische geval toe dat paarden het bedrijf verlaten.
Reinig een besmette stal huishoudelijk, verbrand het bodemmateriaal en desinfecteer daarna.
Verzorg de ge?ecteerde paarden altijd het laatst.
Splits eventueel contactdieren op in kleinere groepen, zodat de schade beperkt blijft bij volgende gevallen.
Ga niet slepen met contactdieren, zeker niet in het geval van abortus. Deze dieren zijn waarschijnlijk ge?ecteerd en kunnen het virus weer inhun nieuwe groep introduceren.

Vaccineren/enten?
Vaccineren ofwel enten tegen rhinopneumonie, al een discussie sinds de jaren '40. Ondanks vele verwoede pogingen is men er nog niet in geslaagd een 100% effectief vaccin/entstof te ontwikkelen. Echter regelmatige en frequente vaccinatie tegen de luchtwegvorm van EHV1 en EHV4 zou enige bescherming biedt. Ook zou een systematische intensieve vaccinatie tot een verminderd voorkomen van abortus als gevolg van een EHV1 infectie leiden. Een garantie tegen het optreden van abortus kan niet gegeven worden. Het meest moderne en wetenschappelijk bewezen meest effectieve vaccin, zou een bewezen(significant) bescherming bieden tegen rhinopneumonie. Nogmaals garanties worden niet gegeven. Ter vermindering van de ernst van luchtwegziekte verschijnselen, en verspreiding van het virus: zou geënt kunnen worden bij veulens vanaf een leeftijd van 5-6 maanden 2maal enten met een tussentijd van 4-6 weken. Daarna 2maal per jaar. Als hulpmiddel ter vermindering van abortus: driemalige enting op de 5e, 7e, en 9e maand van de dracht.



Tetanus
Tetanus is een resistente bacterie die in enorme hoeveelheden in de mest voorkomt. Let daarom op met wonden zowel bij jezelf als bij het paard.

Tetanus-gevaar: als een tetanusbakterie ingekapseld raakt en geen zuurstof meer krijgt, gaat ze gif afscheiden.

Bij een tetanusinfectie (klem) is het derde ooglid voortdurend geheel of gedeeltelijk zichtbaar. Door een tetanusinfektie kan een vergroeing van het regenboogvlies met de lens optreden.

Cause
Signs
Epidemiology
Immunity
Treatment
Control

Cause
Tetanus occurs when a wound becomes infected with bacterial spores ofClostridium tetani. These spores germinate, multiply and produce a very powerful poison which affects the muscles. Some cases of tetanus occur from wounds that are so small they are not noticed.

Signs
An affected horse moves with a stiff-legged gait, often with the tail held out stiffly and the ears pricked. As the disease progresses the muscles become so rigid and stiff that the horse may fall and not be able to get up again. Convulsions may occur and death is caused by paralysis of the breathing muscles.

Ears held pricked up
Tail held out and stiff
Paralysis of breathing muscles
Stiff legged gait

Epidemiology
Persistent spores can be found in the soil (it is more prevalent in cultivated than uncultivated soils) and organisms are routinely isolated from the faeces of many domestic animals, including the dog and cat, and also from humans.

Immunity
Animals that have recovered from natural infection are not immune and still require vaccination for protection.

Treatment
Treatment is difficult, time consuming, very expensive and often unsuccessful. It involves the use of tetanus antitoxin (Equivac TAT) to neutralise unbound circulating toxin, penicillin to prevent further growth of C/. tetani, muscle relaxants to relax the rigid muscles, and supportive therapy until the toxin is eliminated or destroyed.

Control
Vaccination is the only way to provide safe, effective long-term protection against tetanus. If an unvaccinated horse is injured, tetanus antitoxin should be administered to provide immediate but short-term (3 weeks) protection. At the same time a vaccination program should be commenced to develop long-lasting immunity. The tetanus vaccine (Equivac-T) may be administered intramuscularly on one side of the neck, while the tetanus antitoxin is injected subcutaneously on the other side of the neck. A separate syringe and needle should be used for each product. This will result in both immediate and long lasting protection. Tetanus vaccine alone provides long-lasting protection but immunity takes 7-10 days to develop, and an injured horse may develop tetanus before protection is achieved. Tetanus antitoxin alone provides protection in 2-3 hours but it only lasts for 3 weeks and tetanus may develop after this protection has waned. Therefore simultaneous injection of 1500 units of Equivac TAT and 1mL of Equivac-T provides optimal immediate and long-term protection. These injections should be given on different sides of the neck. Another dose of Equivac-T four weeks later is required for long-lasting protection.



Wonden
Bij de behandeling van een paard nooit op de knieen erbij zitten maar op de hurken, zodat je altijd snel weg kunt springen. Een paard kan ook naar voren en naar opzij slaan; gebruik een strobaal, om klappen op te vangen. Let bij het toedienen van medicijnen altijd op de werking van kombinaties van preparaten.

Opzettelijke verwonding; operatie

Wonden aan de benen genezen het beste onder verband. Peeswonden genezen heel slecht.
Koelen is altijd goed (Heparine slinkt).
Meestal zijn paarden met een flinke bloeding vrij rustig.

Tetanus-gevaar: als een tetanusbakterie ingekapseld raakt en geen zuurstof meer krijgt, gaat ze gif afscheiden.

Schaafwonden: tetanusgevaar vrij klein; paard in de zon zetten (helpt ook bij schimmels). Acederm.

Snijwonden: Laat het paard zoveel mogelijk met rust. Afspuiten van boven naar beneden.
Indien nodig het paard meenemen aan een bijvoorbeeld broekriem.
Als je dus bijvoorbeeld naar de wei gaat neem dan altijd iets mee (halster, touw) om eventueel een paard mee te kunnen nemen.
Hechten (nieten) kan altijd snel en is altijd goed. Nooit iets op de wond smeren; (nood breekt wet, Lotagen-gel) de wondranden pakken niet meer. Bij wild vlees: helse steen.

Steekwonden: Tetanus-gevoelig (wanneer voor het laatst geënt?).
Bijvoorbeeld spijker in de voet: als je niet zeker weet of er iets geraakt is, gewoon laten zitten,
Groot verband eromheen leggen. Als je de spijker eruit haalt, plaats markeren. eruit halen in de richting waarin die erin gekomen is.

Scheurwonden: Zijn bijna niet te hechten; groene klei werkt erg goed.